Affichage des articles dont le libellé est adjectif possessif. Afficher tous les articles
Affichage des articles dont le libellé est adjectif possessif. Afficher tous les articles

jeudi 15 juillet 2021

Mots interrogatifs; vraagwoorden, interrogatieven : WAT?, WIE?, WAAR?, WAAR ... NAARTOE?, WANNEER?, HOE LAAT? / Exercice de grammaire; grammatica-oefening / néerlandais; Nederlands

  • Exercice grammatical : poser des questions / Grammaticaoefening : vragen stellen
  • Les mots interrogatifs / De vraagwoorden, de interrogatieven
  • Exercice de révision, exercice de rappel / Herhalingsoefening
---------------
 Exercice grammatical  grammatica-oefening 
 
Vraagwoorden, interrogatieven / Mots interrogatifs
WAT?, WIE?, WAAR?, WAAR ... NAARTOE?, WANNEER?, HOE LAAT?
 
Stel een vraag : vervang de onderstreepte woorden door vraagwoorden (interrogatieven). 
Pose une question : remplace les mots soulignés par des mots interrogatifs.
 
01. Bob heeft een mooi huis aan zee.
..........................................................................
 
02. Marijke rijdt vanmiddag met haar man naar Brussel.
...........................................................................
 
03. Betty werkt met Maria op haar kamer.
...........................................................................
 
04. Loes drinkt graag een kopje koffie in de tuin.
...........................................................................
 
05. Het is nu half tien.
...........................................................................
 
06. David wacht al een kwartier op zijn vrouw.
...........................................................................
 
07. Mevrouw Burger heeft een mooi cadeau voor Claudia.
...........................................................................
 
08. 's Woensdags is Pascale om één uur thuis.
...........................................................................
woordenschat ➛ 's woensdags : le mercredi, chaque mercredi
 
09. Om twee uur vliegt Eddy morgen naar Amsterdam.
...........................................................................
 
10. Doris gaat elke zondag bij Gaby eten.
...........................................................................
---------------
 OPLOSSINGEN  / SOLUTIONS 
 
01.
Wat heeft Bob aan zee?
Waar heeft Bob een mooi huis?
 
02.
Wanneer rijdt Marijke met haar man naar Brussel?
Met wie rijdt Marijke vanmiddag naar Brussel?
Waar rijdt Marijke vanmiddag met haar man naartoe?
 
03.
Wie werkt met Maria op haar kamer?
Met wie werkt Maria op haar kamer?
Waar werkt Betty met Maria?
 
04.
Wat drinkt Loes graag in de tuin?
Waar drinkt Loes graag een kopje koffie?
 
05.
Hoe laat is het?

06.
Wie wacht al een kwartier op zijn vrouw?
Op wie wacht David al een kwartier?

07.
Wat heeft mevrouw Burger voor Claudia.
Voor wie heeft mevrouw Burger een mooi cadeau.

08.
Wanneer is Pascale om één uur thuis?
Hoe laat is Pascale om één uur thuis?
Waar is Pascale 's woensdags om één uur?

09.
Hoe laat vliegt Eddy morgen naar Amsterdam?
Wanneer vliegt Eddy om twee uur naar Amsterdam?
Waar vliegt Eddy morgen om twee uur naartoe?

10.
Wanneer gaat Doris bij Gaby eten?
Bij wie gaat Doris elke zondag eten?
---------------
Doctissimo : Exercice "mots interrogatifs; vraagwoorden, interrogatieven" /
format JPG
-
Pinterest : Oefening "mots interrogatifs; vraagwoorden, interrogatieven" /
jpg-formaat
-
Document : Oefening ''mots interrogatifs; vraagwoorden, interrogatieven" /
pdf-formaat

mercredi 14 juillet 2021

Ons ? onze ? / grammatica-oefening; exercice de grammaire / l'adjectif possessif; het bezittelijk voornaamwoord (possessief pronomen) : bijvoeglijke vormen / néerlandais; Nederlands

  • Emploi de ONS et ONZE / gebruik van ONS en ONZE
  • L'adjectif possessif / Het bezittelijk voornaamwoord, het possessief pronomen: bijvoeglijke vormen, niet-zelfstandige vormen
  • Grammaire de base néerlandaise : exercice grammatical / Nederlandse basisgrammatica : grammaticale oefening
---------------
 Grammatica-oefening : ONS, ONZE 
 De bezittelijke voornaamwoorden : bijvoeglijke vormen 
 
 Exercice de grammaire : ONS, ONZE 
 Les adjectifs possessifs 
 
Schrijf zinnetjes volgens het model. Gebruik ONS of ONZE.
Écris des phrases selon le modèle. Emploie ONS ou ONZE.

Het huis van meneer Kok is hoog.
Ons huis is ook hoog.

01. Het dorp van Annie is zeer klein.
............................................................................
woordenschat ➛ het dorp : le village

02. De tuin van Jan is breed.
..............................................................................
woordenschat ➛ breed : large

03. De kinderen van Loes werken goed.
..............................................................................

04. Het kantoor van Peter ligt in het centrum.
...............................................................................
woordenschat ➛ het kantoor : le bureau

05. De sportwagen van de directeur is rood.
................................................................................
 
06. De meubels van Henk zijn oud.
................................................................................

07. Het salontafeltje van Marijke staat in de hoek van de woonkamer.
................................................................................
woordenschat ➛ de woonkamer : le séjour, le living

08. Het televisietoestel van Jenny is heel modern.
................................................................................
woordenschat ➛ het televisietoestel : la télévision, le téléviseur

09. De boeken van Hans liggen op de tafel.
................................................................................

10. Het huis van meneer Verstraeten is te koop.
................................................................................
woordenschat ➛ te koop : en vente

11. De schriften van Betty zijn dun.
................................................................................
woordenschat ➛ dun : fin, peu épais

12. De kast van Liesje staat tegen de witte muur.
.................................................................................
woordenschat ➛ de kast : l'armoire
 
13. Het geld van Bert ligt in de la.
.................................................................................
woordenschat ➛ de la : le tiroir
 
14. De pen van Maria is stuk.
.................................................................................
woordenschat ➛ de pen : le stylo, le bic / stuk zijn : être cassé, 
ne plus marcher, ne plus fonctionner
 
15. Het feest van Mark begint om negen uur.
.................................................................................
---------------
 OPLOSSINGEN  SOLUTIONS 

01. Ons dorp is ook zeer klein.
02. Onze tuin is ook breed.
03. Onze kinderen werken ook goed.
04. Ons kantoor ligt ook in het centrum.
05. Onze sportwagen is ook rood.
06. Onze meubels zijn ook oud.
07. Ons salontafeltje staat ook in de hoek van de woonkamer.
08. Ons televisietoestel is ook heel modern.
09. Onze boeken liggen ook op de tafel.
10. Ons huis is ook te koop.
11. Onze schriften zijn ook dun.
12. Onze kast staat ook tegen de witte muur.
13. Ons geld ligt ook in de la.
14. Onze pen is ook stuk.
15. Ons feest begint ook om negen uur.
 ---------------
Pinterest : Oefening : gebruik van ONS of ONZE; emploi de ONS ou ONZE / 
jpg-formaat
-
Doctissimo : Oefening : gebruik van ONS of ONZE; emploi de ONS ou ONZE /
format JPG
-
Document : 'gebruik van ONS of ONZE; emploi de ONS ou ONZE' / 
pdf-formaat