mardi 18 juin 2019

SNOEP : lekkernijen en zoetigheden (1) / geïllustreerde woordenschat in context; vocabulaire contextualisé et illustré / leesactiviteit; activité de lecture / Nederlands; néerlandais

  • Thème : le chocolat / Thema : de chocolade, de chocola
  • Vocabulaire néerlandais / Nederlandse woordenschat
  • Vocabulaire contextualisé et illustré / geïllustreerde woordenschat in context
  • Activité de lecture / Leesactiviteit
---------------
 Leesactiviteit : DE CHOCOLADE, DE CHOCOLA 
 Activité de lecture : LE CHOCOLAT 
Klik op de afbeeldingen om die te vergroten! / Klik rechts 
op de afbeeldingen om die in een nieuw venster open te doen!
Cliquez sur les illustrations pour l'agrandir! / Cliquez droit 
sur les illustrations pour les ouvrir dans une nouvelle fenêtre!

WOORDENSCHAT / VOCABULAIRE 

de snoep : les bonbons
de lekkernij : la friandise, la gourmandise [souvent traduit au pluriel : les friandises, les gourmandises]
de zoetigheid : la sucrerie [souvent traduit au pluriel : les sucreries]
de reep chocola(de) : la barre de chocolat, le bâton de chocolat
de plak chocola(de) : la tablette de chocolat
het/de tablet chocola(de) : la tablette de chocolat
de zuivere chocola(de) : le chocolat pur
de melkchocola(de) : le chocolat au lait
de bittere chocola(de) : le chocolat amer
de witte chocola(de) : le chocolat blanc
de chocola(de) met nootjes : le chocolat aux noisettes
de gevulde chocola(de) : le chocolat fourré
de bonbon : la praline, la bouchée au chocolat, le chocolat
het omhulsel : l'enveloppe
de vulling : le remplissage, le fourrage (de gâteaux, de biscuits, de chocolats, ...)
het suikerwerk : les sucreries [toujours traduit au pluriel]
verschillende ... : différents ...
de smaak : le goût
de praline : la praline
---------------
Doctissimo : document 'SNOEP : lekkernijen en zoetigheden' / jpeg-formaat
-
Pinterest : document 'SNOEP : lekkernijen en zoetigheden' / format JPEG
-
Document 'SNOEP : lekkernijen en zoetigheden' / format PDF

jeudi 30 mai 2019

Verbes séparables; scheidbare werkwoorden / présent, indicatif présent; o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd), presens / exercice de grammaire; grammatica-oefening / néerlandais; Nederlands

  • Exercice de grammaire / grammatica-oefening
  • Grammaire (grammaire de base) / Grammatica, spraakkunst (basisgrammatica)
  • Verbes à particule séparable, verbes séparables / Scheidbare werkwoorden, scheidbare verba, separabele werkwoorden, separabele verba
  • Le présent, l'indicatif présent / De o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd), het presens
---------------
 EXERCICE DE GRAMMAIRE 
Verbes à particule séparable / présent, indicatif présent
 GRAMMATICA-OEFENING 
Scheidbare werkwoorden / o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd)

Construis des phrases à l'indicatif présent
Maak zinnen in de o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd)

Bijvoorbeeld :
Jullie (aankomen) om 6 uur.
Jullie komen om 6 uur aan.

01. De deuren (opengaan) nu.
..............................................................................
Woordenschat ➛ opengaan : s'ouvrir
02. Waarom (innemen) je mijn plaats ?
..............................................................................
03. We (terugfietsen) naar het dorp.
..............................................................................
Woordenschat het dorp : le village
04. Ik (uitgaan) morgen niet.
..............................................................................
05. De bar (openblijven) de hele dag.
..............................................................................
Woordenschat ➛ de hele dag : toute la journée
06. Hans (meegaan) met zijn vader.
..............................................................................
07. Wanneer (teruggeven) je me het boek ?
..............................................................................
08. Hoe laat (opstaan) je 's morgens ?
..............................................................................
09. U (invullen) nu het formulier.
..............................................................................
10. Jij (meekomen) ook !
..............................................................................
11. Waar (afslaan) ik ?
..............................................................................
Woordenschat  afslaan : tourner, bifurquer
12. We (weglopen) hard.
..............................................................................
Woordenschat  hard weglopen : partir en courant
13. Ze (opgaan) vlug de trap.
..............................................................................
Woordenschat ➛ de trap : l'escalier
14. Wij (ingaan) daar niet !
..............................................................................
Woordenschat ➛ ingaan : entrer
15. U (achteruitrijden) een beetje.
..............................................................................
Woordenschat  achteruitrijden : faire marche arrière
---------------
OPLOSSINGEN  /  SOLUTIONS 
01. De deuren gaan nu open.
02. Waarom neem je mijn plaats in ?
03. We fietsen naar het dorp terug.
04. Ik ga morgen niet uit.
05. De bar blijft de hele dag open.
06. Hans gaat met zijn vader mee.
07. Wanneer geef je me het boek terug ?
08. Hoe laat sta je 's morgens op ?
09. U vult nu het formulier in.
10. Jij komt ook mee !
11. Waar sla ik af ?
12. We lopen hard weg.
13. Ze gaat / gaan vlug de trap op.
14. Wij gaan daar niet in !
15. U rijdt een beetje achteruit.
---------------
Pinterest : scheidbare werkwoorden (separabele verba) / jpeg-formaat
Doctissimo : verbes séparables / format JPEG