jeudi 23 août 2018

Exercice grammatical; grammatica-oefening : le présent, l'indicatif présent; de o.t.t. (de onvoltooid tegenwoordige tijd), het presens / néerlandais; Nederlands

  • Grammaire de base / Basisgrammatica
  • Emploi du présent, emploi de l'indicatif présent / Gebruik van de o.t.t. (de onvoltooid tegenwoordige tijd), gebruik van het presens
---------------
EXERCICE DE BASE : le présent, l'indicatif présent
BASISOEFENING : de o.t.t. (de onvoltooid tegenwoordige tijd), het presens

Mets les verbes au présent.
Zet de werkwoorden (verba) in de o.t.t. (het presens).

KOMEN 

1. Ik ..................... om 3 uur.
2. Jan ..................... morgen.
3. We ..................... met de trein.
4. ..................... je mee ?

ROKEN 

1. Hij ..................... een sigaret.
2. Ik ..................... niet !
3. ..................... u sigaretten ?
4. Ze ..................... buiten.

GAAN 

1. Hij ..................... naar school.
2. Ik ..................... naar de supermarkt.
3. Je ..................... naar een vriend.
4. ..................... je naar Brugge ?
5. ..................... u morgen naar de bioscoop ?

ZITTEN 

1. Ze ..................... naast Wim in de klas.
2. Ik ..................... achter het stuur.
Woordenschat ➛ het stuur : le volant
3. ..................... je voor de televisie ?
4. We ..................... in de 4de klas.

WACHTEN 

1. Ik ..................... op mijn vriend Jan.
2. Hij ..................... op de bus.
3. Ze ..................... beneden.
Woordenschat ➛ beneden : en bas
4. ..................... je thuis ?
5. ..................... hij op Wim ?
6. ..................... jullie al lang ?
Woordenschat ➛ al lang : depuis longtemps

RIJDEN 

1. Ik ..................... naar Brussel.
2. Ze ..................... naar België.
3. ..................... hij met de fiets naar school ?
4. ..................... je met de trein naar huis ?
5. ..................... jullie samen naar school ?
6. We ..................... naar Antwerpen.
7. ..................... u niet te vlug ?

LIGGEN 

1. Mijn kantoor ..................... in het centrum.
2. Brussel ..................... in België.
3. Amsterdam en Rotterdam ..................... in Nederland.
4. ..................... je graag in de zon ?
5. ..................... u graag languit op de bank ?
Woordenschat ➛ languit op de bank : allongé sur le divan

DRINKEN 

1. ..................... hij graag thee ?
2. Ik ..................... veel koffie.
3. ..................... je melk ?
4. Ze ..................... koffie zonder suiker.
---------------
 SOLUTIONS / OPLOSSINGEN 
KOMEN

1. Ik kom om 3 uur.
2. Jan komt morgen.
3. We komen met de trein.
4. Kom je mee ?

ROKEN

1. Hij rookt een sigaret.
2. Ik rook niet !
3. Rookt u sigaretten ?
4. Ze rookt/roken buiten.

GAAN

1. Hij gaat naar school.
2. Ik ga naar de supermarkt.
3. Je gaat naar een vriend.
4. Ga je naar Brugge ?
5. Gaat u morgen naar de bioscoop ?

ZITTEN

1. Ze zit naast Wim in de klas.
2. Ik zit achter het stuur.
3. Zit je voor de televisie ?
4. We zitten in de 4de klas.

WACHTEN

1. Ik wacht op mijn vriend Jan.
2. Hij wacht op de bus.
3. Ze wacht/wachten beneden.
4. Wacht je thuis ?
5. Wacht hij op Wim ?
6. Wachten jullie al lang ?

RIJDEN

1. Ik rijd/rij naar Brussel.
2. Ze rijdt/rijden naar België.
3. Rijdt hij met de fiets naar school ?
4. Rijd je met de trein naar huis ?
5. Rijden jullie samen naar school ?
6. We rijden naar Antwerpen.
7. Rijdt u niet te vlug ?

LIGGEN

1. Mijn kantoor ligt in het centrum.
2. Brussel ligt in België.
3. Amsterdam en Rotterdam liggen in Nederland.
4. Lig je graag in de zon ?
5. Ligt u graag languit op de bank ?

DRINKEN

1. Drinkt hij graag thee ?
2. Ik drink veel koffie.

Aucun commentaire:

Enregistrer un commentaire