vendredi 16 juillet 2021

NIET of GEEN? / négation; ontkenning, negatie / exercice; oefening / grammaire; spraakkunst, grammatica / néerlandais; Nederlands

  • Exercice de grammaire / Grammatica-oefening
  • Grammaire / Spraakkunst, grammatica
  • Négation : NIET, GEEN / Ontkenning, negatie : NIET, GEEN
---------------
 EXERCICE GRAMMATICAL  /  GRAMMATICA-OEFENING 
 
Mets les phrases à la forme négative : NIET ou GEEN?
Zet de zinnetjes in de negatieve vorm : NIET of GEEN?
 
01. Dat is een nieuw boek.
...............................................................
 
02. Wim gaat met vakantie.
...............................................................
 
03. We werken boven.
...............................................................
 
04. Ze drinkt koffie.
...............................................................
 
05. Ze zijn thuis.
...............................................................
 
06. Willy speelt buiten.
...............................................................
 
07. Hij neemt melk.
...............................................................
 
08. Hij is op zijn kamer.
...............................................................
 
09. Ik ben Wim Kok.
...............................................................
 
10. Ze heeft tijd.
............................................................... 

11. Jullie kopen boeken.
...............................................................
 
12. Het is een grote wagen.
................................................................
 
13. Ik heb veel tijd.
 ................................................................
 
14. Loes luistert naar de radio.
.................................................................
 
15. De bus is vol.
................................................................
woordenschat ➛ vol : plein, bondé
---------------
 SOLUTIONS  /  OPLOSSINGEN 
 
01. Dat is geen nieuw boek.
02. Wim gaat niet met vakantie.
03. We werken niet boven.
04. Ze drinkt geen koffie.
05. Ze zijn niet thuis.
06. Willy speelt niet buiten.
07. Hij neemt geen melk.
08. Hij is niet op zijn kamer.
09. Ik ben Wim Kok niet.
10. Ze heeft geen tijd.
11. Jullie kopen geen boeken.
12. Het is geen grote wagen.
13. Ik heb niet veel tijd.
14. Loes luistert niet naar de radio.
15. De bus is niet vol.
---------------
Doctissimo : exercice "NIET of GEEN?" / format JPG
-
Pinterest : oefening "NIET of GEEN? / jpg-formaat
-
Document : exercice "NIET of GEEN?"/ format PDF

jeudi 15 juillet 2021

Mots interrogatifs; vraagwoorden, interrogatieven : WAT?, WIE?, WAAR?, WAAR ... NAARTOE?, WANNEER?, HOE LAAT? / Exercice de grammaire; grammatica-oefening / néerlandais; Nederlands

  • Exercice grammatical : poser des questions / Grammaticaoefening : vragen stellen
  • Les mots interrogatifs / De vraagwoorden, de interrogatieven
  • Exercice de révision, exercice de rappel / Herhalingsoefening
---------------
 Exercice grammatical  /  grammatica-oefening 
 
Vraagwoorden, interrogatieven / Mots interrogatifs
WAT?, WIE?, WAAR?, WAAR ... NAARTOE?, WANNEER?, HOE LAAT?
 
Stel een vraag : vervang de onderstreepte woorden door vraagwoorden (interrogatieven). 
Pose une question : remplace les mots soulignés par des mots interrogatifs.
 
01. Bob heeft een mooi huis aan zee.
..........................................................................
 
02. Marijke rijdt vanmiddag met haar man naar Brussel.
...........................................................................
 
03. Betty werkt met Maria op haar kamer.
...........................................................................
 
04. Loes drinkt graag een kopje koffie in de tuin.
...........................................................................
 
05. Het is nu half tien.
...........................................................................
 
06. David wacht al een kwartier op zijn vrouw.
...........................................................................
 
07. Mevrouw Burger heeft een mooi cadeau voor Claudia.
...........................................................................
 
08. 's Woensdags is Pascale om één uur thuis.
...........................................................................
woordenschat ➛ 's woensdags : le mercredi, chaque mercredi
 
09. Om twee uur vliegt Eddy morgen naar Amsterdam.
...........................................................................
 
10. Doris gaat elke zondag bij Gaby eten.
...........................................................................
---------------
 OPLOSSINGEN  / SOLUTIONS 
 
01.
Wat heeft Bob aan zee?
Waar heeft Bob een mooi huis?
 
02.
Wanneer rijdt Marijke met haar man naar Brussel?
Met wie rijdt Marijke vanmiddag naar Brussel?
Waar rijdt Marijke vanmiddag met haar man naartoe?
 
03.
Wie werkt met Maria op haar kamer?
Met wie werkt Maria op haar kamer?
Waar werkt Betty met Maria?
 
04.
Wat drinkt Loes graag in de tuin?
Waar drinkt Loes graag een kopje koffie?
 
05.
Hoe laat is het?

06.
Wie wacht al een kwartier op zijn vrouw?
Op wie wacht David al een kwartier?

07.
Wat heeft mevrouw Burger voor Claudia.
Voor wie heeft mevrouw Burger een mooi cadeau.

08.
Wanneer is Pascale om één uur thuis?
Hoe laat is Pascale om één uur thuis?
Waar is Pascale 's woensdags om één uur?

09.
Hoe laat vliegt Eddy morgen naar Amsterdam?
Wanneer vliegt Eddy om twee uur naar Amsterdam?
Waar vliegt Eddy morgen om twee uur naartoe?

10.
Wanneer gaat Doris bij Gaby eten?
Bij wie gaat Doris elke zondag eten?
---------------
Doctissimo : Exercice "mots interrogatifs; vraagwoorden, interrogatieven" /
format JPG
-
Pinterest : Oefening "mots interrogatifs; vraagwoorden, interrogatieven" /
jpg-formaat
-
Document : Oefening ''mots interrogatifs; vraagwoorden, interrogatieven" /
pdf-formaat